· 

Agnes, waar ben je toch?

 

Een aardige juffrouw had hem in de taxi gezet. Dat was geen probleem, dat deed ze wel vaker. De taxichauffeur was wel een beetje vreemd. De man begroette hem alsof hij een oude bekende was, maar hij kon zich niet herinneren dat hij de chauffeur ooit eerder gezien had. Wel bevreemdde het hem dat Agnes niet bij hem was. De aardige juffrouw had gezegd dat de taxi hem naar het ziekenhuis zou brengen en dat daar een verpleegster bij de ingang op hem zou wachten. Voor de zekerheid had ze het ook voor hem opgeschreven in een notitieboekje dat hij altijd bij zich droeg. Dat kreeg je er nou van als Agnes andere dingen te doen had. Was het nou echt teveel gevraagd om met hem mee te gaan als hij naar het ziekenhuis moest? En wat ging hij daar eigenlijk doen? Was hij soms ziek en als dat zo was, waarom wist hij daar dan niets van af?

 

Hij draaide zich om en keek door de achterruit naar het gebouw, dat steeds sneller kleiner werd en uiteindelijk uit het zicht verdween. Het was een groot, statig, wit gebouw met een bordes en een lange oprijlaan, omzoomd door statige eiken. Het leek wel een paleis. Het kon niet anders of het moest een hotel zijn, waar hij weleens logeerde als Agnes niet thuis was. Hij had er een eigen kamer met een bed, een lekkere stoel met een bijzettafeltje, een televisie en een eigen badkamer. Hij was nog nooit alleen thuis op de boerderij geweest; altijd drentelde Agnes om hem heen en als zij er niet was, was er wel een van de kinderen of een van hun knechten die binnenkwam om na het melken of hooien of rooien een kop soep te halen. Agnes kon heerlijke soep maken. Haar tomatensoep was vermaard in de hele buurtgemeenschap. Och, wat snakte hij nu naar een kom van haar soep. En wat moest hij in het ziekenhuis doen? Waarom schreven ze dat nu niet in het notitieboekje, daar zou hij tenminste wat aan hebben.

 

Een beetje schuin keek hij naar de taxichauffeur naast wie hij zat. Een nog jonge man met een volle, zwarte baard en een indrukwekkende drakentatoeage in zijn nek. Ook op de kootjes van zijn vingers had de chauffeur tatoeages. Hij had er een beetje schrik van. Hij kende verder niemand met van die vervaarlijk uitziende plakplaatjes. Ook hun knechten hadden nooit tatoeages gehad. Of hij had ze niet gezien, dat kon ook, hoewel ze op warme dagen vaak met ontbloot bovenlijf op het land hadden gewerkt. Hopelijk was Roger in staat om de boel draaiende te houden nu hij er niet was. Onder de jongens waren een paar raddraaiers, die je toch in de gaten moest houden. Boefjes die je graag een tweede kans gaf, maar die je wel goed moest aansturen om ze op het rechte pad te houden. Ook zij waren dol op de tomatensoep van Agnes. Er was er eentje – hij kon niet op zijn naam komen, Leo of Theo, zo iets – die telkens terugkwam om te werken, alleen voor die soep.

 

De taxi draaide het parkeerterrein op. Een slagboom ging omhoog en direct na hen weer naar beneden. De chauffeur reed door tot de ingang waar een net geklede dame stond te wachten met een rolstoel. Die was vast voor iemand anders. Hij kon prima lopen.

 

De dame dacht daar anders over. Ze begroette hem, herhaalde zijn naam – Jacques Versteeg – en nam hem bij zijn arm om hem in de rolstoel te laten plaatsnemen. Nog voor hij goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, duwde zij hem voort door de gangen. Ze had er stevig de pas in. Door lange gangen gingen ze, links en rechts mensen inhalend die slenterden, treuzelden, de weg zochten, eigenlijk niet verder wilden omdat ook zij niet waren waar ze wilden zijn. Hij probeerde zich te concentreren op de schilderijen aan de muur, maar zijn bestuurster ging te hard. Hij zag ze in een oogwenk voorbij flitsen en wat overbleef waren de kleuren: veel rood en blauw, zo nu en dan een veeg geel of grijs.

 

Ze raceten door een brede gang, sloegen toen linksaf een wat smallere gang in. Voor een lichthouten balie parkeerde de vrouw hem in zijn rolstoel, richtte zich tot het meisje achter de balie – ze kon niet ouder dan achttien zijn met haar donkere krullen, sproetjes op haar neus en een brede, volle lach – en overhandigde haar een mapje papieren. Het meisje kwam omhoog en boog  zich zo ver naar hem toe, dat hij een inkijkje kreeg in haar bloes. De lichte welving deed hem warempel blozen.

 

‘We hebben een beetje vertraging meneer Versteeg,’ zei het meisje. Ze sprak luid en duidelijk, zeker bang dat hij haar anders niet zou horen. Nou, hij mocht dan misschien iets mankeren, want waarom zou hij anders in het ziekenhuis zijn, maar met zijn oren was niets mis. ‘U moet even in de wachtkamer wachten. Mijn collega komt u daar ophalen.’

 

‘Ik weet niet helemaal of…’ De dame spreidde in een hulpeloos gebaar haar armen. Het meisje haalde haar schouders op. ‘Het is niet anders,’ zei ze. ‘Vervelend, maar calamiteiten hebben nu eenmaal voorrang. Meneer moet gewoon wachten.’

 

De dame zweeg, reed de rolstoel naar achteren om te keren, duwde hem naar een tafeltje en parkeerde hem daar. Zorgvuldig zette ze de rolstoel op de rem. Uit een mandje pakte ze wat tijdschriften. Een autoblad, een voetbalblad, een motorblad, alles wat een man zou kunnen interesseren, behalve hem. Hij was meer van de koeien en de varkens, de mais en de aardappels. Waarom was Agnes nou toch niet meegekomen? Met haar had hij kunnen kletsen. Zij zou hem dwaze stukjes uit de roddelbladen hebben voorgelezen over mensen die zij niet kenden.

 

‘U moet hier blijven wachten meneer Versteeg,’ zei de dame. ‘Belooft u me dat u hier blijft zitten? Zodra u aan de beurt bent, komen ze u halen.’

 

‘Wat kom ik hier eigenlijk doen?’

 

‘Ach, meneer Versteeg toch.’ Ze legde een hand op zijn schouder. Hij zag de gladgevijlde, gelukkig niet al te lange roze gelakte nagels. Ze had wat ouderdomsvlekjes op de rug van haar hand, net als Agnes. Ze rook een beetje naar rozen. Agnes rook nooit naar rozen. Die rook naar hooi. ‘U bent hier voor een chemobehandeling. Net als drie weken geleden. Dat weet u toch nog wel?’

 

Verbaasd schudde hij zijn hoofd. Ze glimlachte en gaf hem nog een kneepje in zijn hand. Hoewel hij haar niet kende, voelde ze toch een beetje vertrouwd. ‘Ik moet nu weg, andere mensen ophalen. Niet weggaan hoor. Zodra u aan de beurt bent, komen ze u halen.’

 

Hij knikte gedwee. Hij volgde haar met zijn ogen toen ze de gang uitliep: lang, slank, een beetje gehaast. Ze leek in niets op Agnes, die klein en mollig was en altijd op haar gemakje voort schuifelde: wat er ook om haar heen gebeurde, Agnes was niet in de tweede versnelling te brengen en toch kwam ze nooit te laat, hoefde niemand te wachten, kregen de beesten op tijd hun voer en had ze ook voor hem altijd het eten klaar staan zodra hij in de bijkeuken zijn bemodderde laarzen uitdeed en zijn overall uittrok.

 

Hij bladerde een beetje door de bladen, keek naar foto’s van auto’s die hem niets zeiden. Hij miste een raam in de wachtkamer. Zou nu niemand op het idee komen dat het voor de gezondheid van mensen beter was wanneer zij de wolken en bomen konden zien? Mensen kwamen en gingen weer. Een jongen in een witte jas haastte door de gang. Hij werd slaperig, had moeite om zijn hoofd overeind te houden en dommelde warempel een beetje weg, toen een andere stem hem weer bij de les riep. De geur van tomatensoep prikkelde zijn neus. Was Agnes nu toch gekomen?

 

‘Meneer Versteeg, ik heb hier wat te eten voor u.’ Het meisje van de balie stond voor hem met een dienblad vol eten: een dampende kop soep, een bord met twee boterhammen, een bekertje yoghurt en een glas melk.

 

‘Waar is Agnes?’ vroeg hij.

 

‘Wie?’ Ze zette het dienblad op tafel, haalde de rolstoel van de rem en schoof hem zo ver aan als mogelijk was.

 

‘Mijn vrouw.’

 

Het meisje keek een beetje onzeker om zich heen. ‘Ik geloof niet dat... Kom, gaat u maar lekker eten. Ik heb nog even gevraagd hoe lang u nog moet wachten. Nog ongeveer een uurtje zeiden ze, dus u heeft meer dan genoeg tijd.’ Ze knikte hem vriendelijk toe en ging weer terug naar haar plek achter de balie. Hij pakte de lepel en begon voorzichtig van de soep te eten. Nee, dit was niet de soep van Agnes. Wel een goed gevulde soep, maar waarschijnlijk gewoon uit een pakje. Dus Agnes was er nog steeds niet. Misschien moest hij haar maar gaan zoeken, als hij klaar was met eten. Misschien wist ze niet waar ze moest zijn. Ja, dat was het: Agnes had nog nooit ergens de weg kunnen vinden. In de stad herkende ze geen enkele straat, al was ze er nog zo vaak geweest, terwijl ze op het land en in de bossen rondom elk paadje kende.

 

De soep smaakte prima voor een tomatensoep uit een pakje. De boterhammen waren wit, rijkelijk beboterd; de ene met een plakje ham en de andere met een plakje kaas, die een beetje naar plastic smaakte. De kaas van zijn eigen boerderij was romiger en voller van smaak. Van heinde en verre kwamen mensen naar de boerderij om hun kaas te kopen. Agnes organiseerde kinderfeestjes rond het kaasmaken. De kinderen mochten kijken hoe de koeien gemolken werden. Als er een kalfje was, mochten ze helpen met de fles geven. Stadskinderen, hij moest weer lachen als hij ze voor de geest haalde. Meisjes met prinsessenrokjes die gilden als er een modderspatje opkwam. Totdat ze een kalfje in de armen gedrukt kregen en alles om zich heen vergaten. Jongens die stoer binnenkwamen, maar verbleekten als de eerste koeien terug uit de wei de stal binnenkwamen en vele malen groter waren dan zijzelf. Och, dat ene joch: wild, stoer doend, een beetje treiterend. Hij was het zat, nam hem mee naar de wei en zette hem op het hek. ‘Nu moet je opletten,’ zei hij en hij riep met een zware basstem zijn favoriete koe: ‘Bessie!!’ Ze keek op en daverde op haar vier poten als een malloot op hen af. Het joch wist niet hoe snel hij van het hek af moest springen, terwijl Bessie pal voor het houtwerk stopte en zwaar loeide.

 

Zijn bord was leeg. Ook zijn melk had hij gedronken. Om hem heen was het stil. Het meisje achter de balie was verdwenen. Er was niemand meer in de wachtkamer. Dat was mooi, dan kon er ook niemand vragen stellen. Wat lette hem om nu Agnes te gaan zoeken?

 

Hij stond op, zette zijn benen recht onder zijn lijf en begon te lopen, steun zoekend aan de tafel, aan de stoelen. Voorzichtig, voetje voor voetje. Fijn dat ze aan de muur een balk hadden gemaakt waaraan hij zich kon vasthouden. Hij hoefde alleen maar het ronde hout vast te houden en dan zou hij vanzelf bij Agnes uit komen. En zo schoof hij de gang uit, een andere gang in, door een klapdeur, weer een gang. Het leek alsof hij in de verte zijn naam hoorde, zoals Agnes hem ook kon roepen als ze kwaad op hem was, maar ook om hem moest lachen: “meneer Versteeg!”

 

Hij opende de deur en kwam op een binnentuin uit. Hij herkende een wilg, goudsbloem, het pampasgras wat Agnes zo mooi vond en hij helemaal niks. Had ze het toch voor elkaar gekregen om het te planten. Maar hij zag ook de Japanse esdoorn, die Agnes en hij op het gras van kleine Jesper hadden geplant. Hun arme ventje dat zo onverhoeds het erf was afgerend en onder een vrachtwagen was gekomen. Agnes had hem gewiegd in haar armen. Hij had er nog zo gaaf uitgezien, maar zijn lijfje lag slap en roerloos tegen haar aan. Onbeholpen had hij naast hen geknield, zijn ruwe hand op haar schouder. Zijn dappere Agnes; met het kind in haar armen kwam ze overeind, droeg het naar huis en legde het op zijn bedje. Pas toen de dokter kwam en Jespers dood vaststelde, kwamen de tranen.

 

Hij knielde neer en wroette met zijn handen in de aarde. Het zand voelde droog, maar hij zag nergens een kraan, slang of gieter. Moeizaam stond hij op en liep verder, door een andere deur, langs muren die niet geverfd waren, door een doorgang die was afgezet met plastic. Hij raakte vermoeid, zocht een stoel waarop hij kon gaan zitten. Misschien was het beter om terug te gaan naar... Ja, waarheen eigenlijk? Waar was Agnes nou toch? Ze had hem nog nooit in de steek gelaten. Altijd waren ze samen, vanaf het moment dat hij haar in de dancing zag en met haar rond het draaiorgel zwierde. Zelfs hoogzwanger stond ze naast hem in het veld, haar bolle buik heen en weer wiegend. Hij zag hoe ze haar rug hol maakte, haar armen op haar heupen zette, een lok haar weg pufte dat voor haar ogen viel. De zon brandde op hun huid, haar voorhoofd parelde van het zweet, maar pas toen al het hooi op de wagen lag en hij zijn riek in de grond pootte, zei ze zachtjes dat het zover was. Eigenwijze Agnes, het had niet veel gescheeld of Jesper was in het veld geboren. En ondertussen had hij nog steeds geen plek gevonden om te zitten en leek de gang waarin hij liep op niets uit te komen.

 

Hij had het warm gekregen van het lopen. Zijn voeten voelden alsof er met duizenden naalden in werd geprikt. Wat zou hij toch graag gaan zitten, in zijn eigen luie stoel, met Agnes op de achtergrond die de tafel dekte en hem ondertussen een kus op zijn kruin gaf. Ach, wat gaf het als hij nu hier even op de grond zakte. Als hij uitgerust was, kon hij wel weer verder. Dan zou hij zijn overall weer aantrekken en zijn laarzen, hij zou de koeien naar de stal drijven, hij zou...

 

Vermoeid sloot hij zijn ogen. Opende ze weer, toen hij zijn naam hoorde roepen. Agnes’ heldere, klaterende stem: ‘hé meneer Versteeg, nu heeft het wel lang genoeg geduurd. Sjakie, waar ben je?’

 

Hij keek op. Daar stond ze: haar armen in de zij, fonkelende pretogen, een stralende lach op haar gezicht. Ze strekte haar armen naar hem uit.

 

‘Kom lieverd,’ zei ze. ‘Het is tijd, we moeten gaan.’

 

Hij liet zich door haar omhoog trekken en zich door haar door de gangen leiden, de ene nog witter dan de ander. Licht dat feller werd. Een stilte die hij nog nooit om zich heen gehoord had. Ze keek naar hem op en lachte. Hij voelde de vermoeidheid als water op een ingezalfde huid van hem afglijden. Haar hand streek over zijn gezicht en ze knikte hem geruststellend toe.

 

‘Je bent thuis Jacques, het is goed.’

 

Langzaam doofde het licht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reactie schrijven

Commentaren: 0