· 

Als het moeilijk wordt, zwijgt ze

 

 

 

De auto start niet meer. Ik had het kunnen weten. Een Renault 19 uit 1992 in handen van een persoon zo laks als ik, die houdt er een keer mee op. Het is alleen verduveld vervelend dat het net vandaag is. Bijna op de plek van bestemming. Hoe ver zou het nog zijn? Drie kilometer, vijf hooguit? Ik kan alles opnoemen wat ik fout heb gedaan: slecht onderhouden, te laat olie ververst, te hard over alle hobbels en kuilen gereden, hem te weinig lieve woordjes toegefluisterd. Ik kijk rechts naast me. Ze zit nog steeds op de passagiersstoel met haar ogen dicht. Ook haar lippen houdt ze stijf op elkaar. Gelukkig, ze heeft mijn oren al te vaak gevuld met lege woorden. Het lijkt erop dat ze wel goed zit zo. Het bladerdak verhindert de zon om al te fel haar warmte af te geven. De auto heeft het op een mooi plekje begeven. We staan uit het zicht van nieuwsgierige voorbijgangers. Achter ons is een open plek waar ik de tent kan opzetten. Ik heb genoeg eten en drinken ingeslagen om het een paar dagen vol te kunnen houden. En we zijn niet heel ver af van de plek dat zij me zo graag wil laten zien. Morgen bel ik de garage. We hebben tijd genoeg. Haar rimpels lijken verzacht, de trek om haar mond minder hard. Ik heb er goed aan gedaan haar mee te nemen. Ik heb zo vaak geweigerd aan haar toe te geven, dat ik nu niet anders kon dan haar wens in te willigen: ‘ik wil nog zo graag terug naar de plek waar ik je vader heb leren kennen.’ Ik geef toe: de wens leek simpel, maar blijkt in uitvoering knap lastig.

 

 

       Sabine heeft zich er verre van gehouden. Gemakkelijk, het is niet háár vader. Al had ze zich wat mij betreft meer mogen bekommeren om het welzijn van de vrouw die wij als moeder delen. Schamper zag ze toe hoe ik de bank in de auto neer klapte en de vrijgekomen ruimte volstouwde met tent, kookspullen, stoeltjes, kleding, kussens en voedingsmiddelen. Tassen vol met vacuüm verpakte kaas, flesjes AA-drink, crackers, pakjes soep, oploskoffie en ga zo maar door. Alsof ik me voorbereidde op een hongerwinter. Nu ben ik er blij mee. Ook al hebben we onderweg de noodvoorraad al aangebroken, ik kan het nog een dagje uitstellen om boodschappen te doen. Is het heel raar als ik zeg dat ik het toch wel fijn vind dat ze wakker wordt? Ik stap uit, zet de portieren open en doe het deksel van de kofferbak open. Langzaam laad ik de spullen uit om bij de tent te komen. De chaos rond de auto raakt zelfs mij. Zuchtend en puffend trek ik het pakket uit de auto. Gelukkig heeft de winkel mij niet voorgelogen. Met de meegenomen pomp is de tent in een mum van tijd opgeblazen en staat. Jawel, hij staat!

 

 

       Mijn moeder houdt van kamperen, ik niet. Ze heeft mij en Sabine jarenlang meegesleept, heel Europa door. We hebben Spanje gezien, Italië, Istrië. Mijn moeder houdt van zon, zee en strand. Flaneren over de boulevard in een zomerjurkje, cocktails drinken en sigaretten roken. Mannen versieren en dan lachend de benen nemen. Ze heeft de neiging alle vervelende dingen weg te schateren, haar kop in de nek te gooien en te doen alsof ellende niet bestaat. Ik vraag me weleens af: mama, als jij je leven over kon doen, zou je het dan weer net zo doen? Ik had ervoor kunnen kiezen om haar mee te nemen naar een hotel. Een duur, luxueus hotel, met een echt bed, een balkon, ontbijt en diner, een zwembad. Zoals ik zelf mijn vakanties doorbreng. Ik heb niet eens overwogen het haar te vragen. Bij deze reis hoort een tent. Zelfs ik, notoir kampeerhater, snap dat. Ik ken mijn vader niet. Dat is het grote verschil tussen Sabine en mij. Ik ben een groot deel van mijn jeugd met haar vader opgegroeid. Al wilde hij het niet, er was toch altijd een heel dunne scheidslijn tussen haar en mij.

 

       Mijn moeder is wakker nu. Ze heeft haar hoofd gedraaid naar het raam. Holle ogen staren naar niets. Ik open het portier, gebaar haar dat ze kan uitstappen. Ze verroert zich niet. Wanneer ik voorzichtig mijn arm om haar schouders leg, rilt ze en weert ze af. Haar kou verdrijft de hitte. Die nacht slaap ik alleen in de tent die ik voor haar gekocht heb. ’s Ochtends word ik wakker van monotoon getik op het tentzeil. Wanneer ik mijn hoofd naar buiten steek, valt een dikke regendruppel midden op mijn voorhoofd. Na wekenlange temperaturen van meer dan vijfentwintig graden en een blakerende zon had ik hier niet op gerekend. Vloekend schuif ik slippers aan mijn voeten en ren naar de auto. Mijn moeder slaapt. Op haar schoot ligt een verkruimeld koekje. Tegen beter weten in probeer ik de auto te starten. Hij pruttelt, valt dan weer stil. In mijn rugtas grabbel ik naar mijn telefoon. Ik klap het hoesje open, zie nog één streepje van de batterij. Bereik heb ik niet. Zone blanche, noemen ze dat in Frankrijk. Onlangs nog een erg goede, deprimerende serie over gezien op Netflix. Als het straks droog is, toch maar even lopen naar een plek waar ik wel kan bellen.  Maar twee uur later gutst het van de regen, ben ik drie keer auto in en auto uitgegaan om in de bagage iets van warme kleren te zoeken en heeft mijn moeder nog steeds geen woord gezegd. Ik heb zin in iets warms. Zin in een auto die het doet, zin in een hotel en een zacht bed, zin in een moeder die praat. Wanneer de regen verwordt tot een nevelsluier, besluit ik dat het genoeg is. Die telefoon gaat het hier niet doen. Een automonteur komt hier niet vanzelf. Ik moet op pad. Voorzichtig schud ik aan mijn moeder. Ze kreunt zacht, alsof ze pijn heeft. Heel eventjes opent ze lodderig een oog, waarmee ze me schuin aankijkt. Ik duw een rietje in haar mond en laat haar wat drinken. Het sap glijdt langs haar kin naar beneden. ‘Ik ga een garage zoeken,’ fluister ik. ‘De telefoon doet het niet. Ik kom zo snel mogelijk terug mama.’ Haar hand, benig, vol vlekken en met dikke aders vlak onder de dunne huid, grijpt mijn arm en trekt aan me. Met de andere tast ze in het rond, alsof ze iets zoekt. Hulpeloos kijkt ze me aan. Ongeduldig maak ik me van haar los. ‘Ik moet op pad mam, we kunnen hier niet tot Sint Juttemis blijven staan.’Als ik het portier open, heeft ze gevonden wat ze zocht. Ze duwt me een verfrommeld papiertje in mijn handen. Het ziet er breekbaar uit. Met moeite kan ik het handschrift lezen. Ik zie een adres en ik zie een naam. Het is niet mijn moeders handschrift. Haar hoofd zakt weg tegen de rugleuning van haar stoel. Zacht sluit ik het portier, stop het briefje in mijn broekzak en begin aan mijn zoektocht.

 

 

Ik struin door smalle paadjes met aan weerszijden groene varens. Bomen torenen boven me uit. De regen is opgehouden. De zon breekt door het ruisende bladerdak. Rechts naast me, twintig meter dieper, glinstert een stroompje water. Ik besluit het te volgen. Hopelijk leidt het me naar iets en kan ik de weg terugvinden. Ondanks de relatieve koelte van het bos loopt het zweet over mijn rug. Voor mijn gevoel loop ik uren zonder ook maar een millimeter op te schieten. Voor me bomen, achter me bomen, onder mij de beek. Alleen de zon verschuift van plaats. Geen weg of huis te bekennen. Met elke stap die ik zet, lijkt mijn moeder te vervagen tot stof. Dan gaat het beekje ondergronds en besluit ik de helling op te klimmen in de hoop een vergezicht te treffen: een kerktoren, een zendmast, een weg, een... iets! Ken je het gevoel dat alle grond onder je voeten lijkt weg te zakken? Dat je knieën knikken, je benen als rubber voelen en je langzaam naar de grond gaat, jezelf vastgrijpend aan wat je ook maar kunt pakken, al is het maar een strohalm, om overeind te blijven? Dat je jezelf in een flits realiseert dat dit geen kinderspel is, maar realiteit, dat je jezelf hopeloos in de nesten hebt gewerkt en je moeder erbij? Sabine had gelijk, zoals altijd. Dat sarcastische lachje om haar mond: ‘waar begin je aan? Het mens is doodziek.’ Als ik niet snel een levend wezen vind met een werkende mobiele telefoon, is mijn moeder binnenkort dood met mij erbij. Ik sta bovenop de helling, ik kijk om me heen en ik zie... Bomen. Telefoon: accu leeg. Ik moet terug. Ik ben al te lang weg. Als ik bij de auto ben en mijn moeder heb voorzien van wat eten en drinken, kan ik de andere kant oplopen. Morgen misschien, als ik weer uitgerust ben. Struikelend, half glijdend daal ik de heuvel weer af. Ik vind het beekje terug, houd hem links van me en loop de lange weg terug. Tot aan de tent, de auto, mijn moeder. Ze leeft nog.

 

Vannacht slaapt ze bij me in de tent. Ze heeft een beetje gedronken. Eten wilde ze niet. Daarna heb ik haar voorzichtig uit de auto gehaald en in de tent gelegd. De slaapzak is tot aan haar kin dicht geritst en daarbovenop liggen alle handdoeken die ik bij me heb. Ze bibbert nog steeds. Met een zaklamp lees ik de naam op het briefje. “Mahmetty," staat er. Zacht prevel ik de naam voor me uit. Ze schraapt haar keel, ik wacht op woorden. Ze komen niet. Ze heeft nooit een woord tegenover mij gerept over mijn vader. Als het moeilijk wordt, zwijgt ze. Nog steeds. Ik kan niet slapen. Ik herinner me een ruzie uit mijn vroegste jeugd. Mijn opa schreeuwde. ‘Als hij hier aan de deur komt, breek ik allebei zijn benen!’ Mijn moeder huilde. Niet veel later nam ze Arnoud mee naar huis. Ik was als de dood dat opa zijn benen zou breken. Hij deed het niet. Mijn moeder trouwde met hem. Arnoud werd mijn vader en niet veel later die van Sabine. Daarna verhuisden we. Arnouds benen bleven heel. Nu zit ik naast mijn moeder op de grond en reageer op elke beweging die ze maakt. Wil ze drinken, ligt ze goed, moet ze plassen, wil ze draaien? Met het laatste beetje kracht dat ze heeft, wappert ze al mijn goede bedoelingen weg.

 

De volgende dag pak ik de route naar de bewoonbare wereld weer op met het beekje links van me, het papiertje veilig weggestopt in het hoesje van mijn telefoon. Mijn moeder heb ik met slaapzak en al weer in de auto gezet. Toch net iets behaaglijker dan de tent. Gelukkig regent het niet ondanks de dreigende wolken die langs de hemel trekken. Ik stap stevig door, de bomen lijken wat minder op elkaar gepakt te staan, het bladerdak boven mij is minder hecht, er komt meer lucht. Er komt... een smalle landweg, een eerste haag, een huis, een auto op het erf, een hond die blaft. Ik ben nog geen half uur onderweg. Huilend loop ik het erf op. Een vrouw in een schort komt naar buiten. Ze schreeuwt iets naar de hond, roept iets naar mij wat ik niet kan verstaan. Ze neemt me mee naar binnen, geeft me warme koffie, probeert me te begrijpen, roept in rap Frans iets door de telefoon naar iemand en voor ik het besef, staan er twee gendarmes en een jonge vrouw voor mijn neus. We zijn gered. Terwijl de gendarmes en de jonge vrouw, die huisarts blijkt te zijn, het pad langs de beek nemen, blijf ik achter in een warme keuken. Mijn telefoon ligt aan een stekker. De vrouw in het schort zet nu een warme kom tomatensoep voor mijn neus. Eventjes legt ze haar hand op mijn schouders, een klein, simpel gebaar dat me opnieuw in huilen doet uitbarsten. Ze sust, haar Frans klinkt zangerig. Ik versta geen woord, maar dat is nu helemaal niet belangrijk. Ik voel me geborgen. Een uur later gaat haar telefoon. Op het eind van bijna elke zin die ze zegt gaat haar stem omhoog. Dan legt ze neer, draait ze zich om naar mij en zegt iets wat ik weer niet kan verstaan, maar wat erop neer komt dat ik met haar mee moet komen. Ze trekt haar schort uit, doet een jas aan, wat haar ineens verandert van simpel mensje in een mooie vrouw en neemt me in haar auto mee de bewoonde wereld in.

 

Mijn moeder is naar een ziekenhuis in Ornans overgebracht. Wanneer ik binnenkom, staat een jonge verpleegster op en legt een vinger op haar mond. Mijn moeder slaapt, zoals zo vaak in de afgelopen dagen, maar nu met een infuus in haar arm en apparaten om haar heen die haar in de gaten houden. Ik streel mijn moeders wang. Dan herinner ik me het briefje in mijn telefoon en geef het aan de verpleegster. Ze leest de naam, ze leest het adres. Een adres in Ornans. Ik was zo dichtbij. Met mijn kostbare briefje verlaat de verpleegster mijn moeders kamer. De andere vrouw zegt iets tegen me wat ik weer niet versta, ze glimlacht, ze legt haar hand op mijn schouder. Dan gaat ook zij weg en ben ik alleen met mijn slapende, nog zieker dan zieke moeder, niet meer in staat haar zoektocht te voltooien.

 

Uren later piept de deur open. De verpleegster heeft zich omgekleed. Ze ziet er in haar spijkerbroek en hemdje nog jonger uit. Achter haar verschijnt een vrouw met donkere krullen en bijna zwarte ogen. Zelfverzekerd treedt zij de kamer binnen, steekt haar hand uit en schudt ferm de mijne. Dan werpt ze een blik op mijn moeder. Ze klakt haar tong, pakt een stoel en gaat zitten. Ze neemt mijn moeders hand in de hare en kijkt me strak aan. ‘Ik heb iemand meegebracht.'  Ze spreekt Engels met een charmant Frans accent. Haar stem is donker, alsof ze teveel whisky en sigaretten heeft genuttigd. Met haar vrije hand tast ze in haar broekzak en geeft mij het briefje terug. Voorzichtig vouw ik het open en staar naar de letters. Ik hoor geschuifel. Een kleine, kromgebogen man staat in de deuropening. Grijze haren, een mager, gerimpeld gezicht, grote neus, kraalzwarte ogen. Mijn hersenen werken als een razende om alle informatie binnen te krijgen en op te slaan. Ik tast naar mijn eigen neus. De vrouw laat mijn moeder los en gaat naast mijn stoel staan, terwijl de man langzaam de kamer binnenkomt. Hij loopt een beetje mank. Hij ziet alleen haar. Hij gaat zitten op de stoel waar de vrouw net plaats heeft gemaakt en neemt mijn moeders hand in de zijne. Voorzichtig drukt hij een kus op haar wang. Hij oogt nog meer craquelé dan mijn moeder. De vrouw legt haar hand op mijn schouder en fluistert me iets toe. Zonder te weten wat ze zegt, begrijp ik haar en ik volg haar de kamer uit. Ze neemt me mee naar een koffiezaakje vlakbij het ziekenhuis. Een geblokte Française serveert ons koffie en taart. Gedachteloos werk ik het taartje naar binnen. Al die tijd zegt ze niets. Ze glimlacht, kijkt naar me en wacht tot ik verzadigd ben. Met haar wijsvinger wijst ze eerst naar mij en dan naar zichzelf. Ze wijst naar onze ogen en ze wijst naar mijn neus. Die zij niet heeft. Die van haar is klein en sierlijk en wipt een beetje naar boven. ‘Mijn naam is Yasemin.’ Ik hap naar adem. ‘Mijn vader heeft mij naar jou genoemd.’ Ik schuif mijn kop koffie weg en mijn stoel naar achteren. Mijn keel knijpt dicht. Ze reikt over de tafel en probeert mijn handen te pakken. Schielijk trek ik ze weg. De taart probeert de omgekeerde uitgang te vinden. Met mijn hand voor mijn mond vlucht ik naar de toiletten. Wanneer ik na dik vijftien minuten terugkeer, is ons tafeltje opgeruimd en staat zij buiten te wachten. Zwijgend rijden we terug naar het ziekenhuis. Daar wacht ons niets dan stilte. Doodse stilte.

 

 

       Haar vader die ook mijn vader blijkt te zijn, staart op een stoel voor het raam naar buiten. Mijn moeder ligt met haar handen in elkaar gevouwen op bed. De apparaten zijn van haar lichaam gehaald. Er is niets meer dat piept of beweegt. Haar ogen zijn gesloten. Ze slaapt, alweer! Om haar mond ligt een glimlach, haar rimpels zijn minder diep. En ik besef dan pas ten volle dat ze er niet meer is. Ze kon niet eens op mij wachten. Yasemin legt een hand op zijn schouder. Met betraande ogen kijkt hij naar haar op, dan richt hij zijn blik op mij. Ik wil iets doen, iets zeggen, maar ik sta vastgenageld aan de grond en weet niet anders dan mijn ogen neer te slaan. ‘Yasemin...’ Zijn stem zacht, schor. Zij laat zijn schouder los, doet een paar stappen naar mij en kijkt me doordringend aan. ‘Hij bedoelt jou. Dit is de enige manier waarop hij jouw naam kan uitspreken.’ Het laatste stukje taart in mijn maag wil nu ook de uitgang vinden. Ik duw haar opzij en ren de gang op. Dit keer haal ik de toiletten niet. Tot ontzetting van een voorbijgaande verpleegster kots ik de vloer en mijn schoenen onder. Zacht dirigeert ze me naar een kamer waar ze me kan schoonmaken en onderzoeken. Onder haar kundige handen voel ik me rustiger worden. Dankbaar knik ik haar toe. Ik pak mijn telefoon en bel Sabine. ‘Mama is dood.’ Ze haalt meteen uit. ‘Jezus Jasmijn, zie je nou wel!’ Natuurlijk, niet even ademhalen, niet gecondoleerd zeggen of wat vreselijk. ‘Ik heb mijn vader ontmoet.’ Ze haalt nu wel adem, snuivend door de telefoon. Dan raspt haar stem: ‘en, is hij een beetje leuk? Leuker dan papa voor jou was?’ Ik denk aan de maanden nadat onze vader vertrokken was, hoe vanzelfsprekend Sabine het gevonden had om naar hem toe te gaan, hoe ik wel wilde en niet durfde totdat hij me belde en zei: ‘ik ben gewoon je vader hoor.’ Twaalf was ik, Sabine acht. Haar boosheid toen ik die eerste keer met mijn rugzak vol logeerspullen naast haar in de deuropening op hem stond te wachten, ben ik nooit vergeten. ‘Ik weet niet of hij leuk is. Ik moet hem nog spreken.’ Met een kort succes dan maar, sluit ze de verbinding af. Mijn handen trillen. Ik moet terug naar die kamer. Ik kan niet blijven zwijgen zoals mama deed.

 

       Er is niets veranderd. Ze hebben op me gewacht. Zij wel. Mijn moeder ligt met haar handen gevouwen op het laken. Yasemin staart uit het raam. De man zit nog steeds naast het bed en kijkt mij vermoeid aan. ‘Hij wil je een verhaal vertellen,’ zegt Yasemin. Ik pak een tweede stoel en ga aan de andere kant van het bed zitten. Met mijn moeder veilig tussen ons in, kijk ik hem aan. Hij zucht diep, begint zacht te praten in een taal die ik niet versta. Het is zelfs geen Frans. Yasemin luistert, vertaalt. Hij spreekt snel, zij langzaam, alsof ze naar de juiste woorden zoekt. Langzaam laat ik de betekenis van wat ze zegt tot mij doordringen, heel langzaam. Ik buig mijn hoofd, ik knik, soms glimlach ik, dan weer probeer ik mij af te sluiten voor wat ze zegt. Ik voel de vreugde van het begin, de pijn van het afscheid en het verdriet van elkaar nooit meer kunnen zien. Binnen een half uur ontvouwt zich een tragedie van ongekende omvang en ik ben daar onderdeel van. Mijn kinderjaren komen in een ander daglicht te staan, de verhouding tot mijn familie komt in een ander daglicht te staan. Ik probeer mijn tranen tegen te houden, maar wanneer hij zwijgt en zij mij vol mededogen aankijkt, stromen ze over mijn wangen. Zij doet de eerste stap. Ze omhelst me. Ik voel haar warmte, haar droge lippen op mijn natte wang. Ze wenkt haar vader, die ook mijn vader is. Wanneer hij mijn gezicht in zijn handen neemt, laat zij me los. Wanneer ik mijn hoofd op zijn schouder leg, sluit ze zacht de deur achter zich.

 

 

       Ze willen me meenemen naar hun huis. Ik ga liever naar een hotel. ’s Avonds loop ik door de straten van Ornans. Op een bruggetje kijk ik naar het riviertje dat door het stadje stroomt. Water spat op van de stenen in de bedding. Mama is overgebracht naar het mortuarium in het ziekenhuis. Ik heb Sabine geappt dat ze moet komen. Zij appte terug dat ze liever wacht tot mama weer in Nederland is. Ornans voelt koud in de late avond. Onze gedeelde vader is jaren geleden overleden. Mama toerde rond in Nieuw-Zeeland met haar zoveelste nieuwe liefde. Altijd rusteloos op zoek. Ze keerde niet terug voor de begrafenis. Ik vraag me af of ze ooit zijn graf heeft bezocht. Ze keek liever niet achterom, zei ze. Sabine heeft het haar altijd kwalijk genomen. Ik probeerde te bemiddelen en later te dealen met wat onuitgesproken bleef tussen die twee. Het verhaal van mijn eigen vader nu laat me niet los. Het doet me pijn. Het zet elke verhouding in de familie op scherp. En ik kan maar niet begrijpen waarom mijn moeder, die nagenoeg haar hele volwassen zelf dit adres kende, nooit eerder het lef heeft gehad om naar hem op zoek te gaan. De plek waar ik je vader heb leren kennen, zo noemde ze het. Hij werkte als klusjesman op de camping waar zij met haar ouders en broers kampeerde. Ze was zeventien, had haar eigen tentje. Eenmaal terug in Nederland kwam hij haar opzoeken. Misschien met de hoop te kunnen blijven? Met tussenpozen vertrok hij naar Ornans en weer terug. Op zoek naar werk, op zoek naar een bestaan. Ooit heeft ze me verteld hoe ze verliefd was op een jongen met zwarte krullen en donkere ogen die in een rood joggingpak rondjes liep in het park vlakbij haar huis. ‘Zo verliefd als toen ben ik daarna nooit meer geweest.’ Een naam heeft ze niet genoemd, maar dat moet hem zijn geweest: deze oude man die zo liefdevol naast haar zat terwijl ze stierf.

 

       Ik maak me los van de brug. Mijn handen ruiken naar het ijzer van de reling. Het begint te regenen. Ik trek mijn jas dichter om me heen en loop terug naar het hotel. Op mijn kamer vind ik een mandje bloemen en een kaart. Ik ga met mijn handen onder mijn hoofd op bed liggen en staar naar het plafond. Ze raakte zwanger. Hij wist het. Haar ouders waren woedend. Hij wilde haar meenemen naar Frankrijk. Ze was welkom bij zijn familie, had hij gezegd. Haar broers, mijn ooms, hebben hem van de stoep geveegd. Letterlijk. De genadeklap kreeg hij van mijn opa, in zijn jeugd een verdienstelijk honkballer. De knuppel had hij nog. Omstanders raapten hem op van de stoep en brachten hem naar het ziekenhuis.. Met een verbrijzelde knie werd hij naar Frankrijk afgevoerd. Hij durfde nooit meer terug te komen. Ik heb geen slechte jeugd gehad. Van mijn eerste jaren herinner ik me niets. Ik ben pas tot leven gekomen toen mama met haar tweede liefde trouwde, de vader van Sabine. Hij was goed voor ons, mama te rusteloos voor hem. Ik voelde me geen vreemde binnen mijn familie. Er waren er meer met donkere ogen en krullen. Nog steeds heb ik contact met mijn ooms en tantes en hun kinderen. Zo op het oog een hechte familie. Dus wat moet ik nou met een indertijd ongewenste vader en nu geen moeder? De volgende ochtend kan ik mijn auto ophalen bij de garage. Ze hebben keurig mijn kofferbak ingeruimd met al mijn kampeerspullen. De rekening blijkt al betaald. De garagehouder wijst me de weg naar de camping. Op de doorgaande weg het stadje uit, op een rotonde schuin rechtdoor en dan omhoog. De camping ligt op een heuvel. Wanneer ik aankom, zie ik een afgesloten zwembad, drie lange lanen met aan weerszijden caravans en tenten. Door de camping heen loopt een beekje. Een paar kinderen spelen met modder. Niets bijzonders, in de grauwheid van de dag zelfs een beetje treurig. Ik ga naar het ziekenhuis. Ik moet papieren ondertekenen, dingen regelen. Ze moet gerepatrieerd worden. De medewerkster aan de balie helpt me waar ze kan. Ze brengt me koffie en papieren zakdoekjes. Ze leidt me door de papieren. Ze glimlacht bemoedigend, wanneer ze haar hand op de mijne legt nadat ik mijn laatste handtekening heb gezet.

 

       Bij mijn hotel wachten Yasemin en haar vader. ‘Ze gaat morgen terug naar Nederland.’ Hij knikt. Hij wil haar nog even zien. We brengen hem naar het ziekenhuis. Yasemin en ik blijven buiten wachten. ‘Hoe heet je vader eigenlijk?’ Ze noemt zijn naam, Mahmoud. ‘Waarom staat er dan Mahmetty op dat briefje?’ Ze lacht. ‘Dat is wat je moeder verstond toen hij geroepen werd. Zijn naam had ze niet goed verstaan en dit verstond ze wel. Hij zegt dat ze hem altijd zo noemde.’ Ik schuifel met mijn voet over de stenen. ‘Als ze bij elkaar waren gebleven, hoe zou mijn leven er dan uit hebben gezien?’ Ze kijkt langs me heen. ‘Opgroeien tussen twee culturen, altijd voelen dat er aan je getrokken wordt, vooroordelen, extra je best moeten doen, niet volledig geaccepteerd worden. Maar wel de liefde van een vader die onvoorwaardelijk in je gelooft.’ Ik zeg dat ik zo'n vader gehad heb. Nu kijkt ze me strak aan. ‘Dan heb je geluk gehad.’ Ze geeft een zacht kneepje in mijn hand. ‘Ik heb nog een zus.’ Ze lacht. ‘Ik heb er wel vier.’ Ik staar naar de ingang van het ziekenhuis. Het duurt lang voor hij terugkomt. ‘Mama heeft nooit iets over hem verteld. Tot nu, ze wilde me de plek laten zien waar ze hem heeft leren kennen. Ik denk dat ze niet eens wist dat hij nog leefde.’ Mijn stem klinkt schor. ‘Misschien had ze hoop,’ zegt Yasemin zacht. Terug bij het hotel nemen we afscheid. Er is genoeg gezegd. Ook ik zwijg, wanneer het moeilijk wordt. Ik wil terug naar huis. We spreken af dat ik nu vertrek. Zij zullen mijn moeder uitgeleide doen uit het mortuarium. Ik moet met Sabine overleggen over haar begrafenis. Mijn Renault doet het weer. De garagehouder heeft hem opgepoetst. Ik durf niet meer om te kijken. Stil rijd ik weg uit Ornans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reactie schrijven

Commentaren: 12
  • #1

    Tiny Schoppen (zaterdag, 25 april 2020 22:08)

    Mooi korte verhaal. Je zit er snel in met jouw verhaal. Ben zeer benieuwd hoe het verder gaat. Ik ga zeker een noek van je kopen.

  • #2

    Anke (zaterdag, 25 april 2020 22:19)

    Leuk Tiny, dank je wel!

  • #3

    M.A Jongenelen (zondag, 26 april 2020 12:59)

    Jammer, ik wilde zo graag verder lezen, zo mooi. Wordt vervolgt?

  • #4

    Anke (zondag, 26 april 2020 13:17)

    Nee, dit is het. Misschien ooit nog een keer? Heb je al een blik geworpen op de andere verhalen? Ben benieuwd wat je daarvan vindt. Bijvoorbeeld Samarita, Pensiongasten...

  • #5

    M.A Jongenelen Incognito voor Tante Ria (zondag, 26 april 2020 22:00)

    Ik heb alle verhalen al gelezen, maar ga nog n keer door alles heen, het is mijn hoop dat ze blijven hangen, tot nu toe helaas niet. Liefs

  • #6

    Anke (zondag, 26 april 2020 22:33)

    Gewoon lekker blijven lezen, en ik zet er af en toe gewoon weer wat bij. Liefs, Anke

  • #7

    fredkiksen (maandag, 04 mei 2020 10:20)

    Keigaaf Anke!

  • #8

    Anke (maandag, 04 mei 2020 11:45)

    Dank je wel!

  • #9

    Miranda Jongenelen (maandag, 04 mei 2020)

    Vanaf de eerste zin zat ik in het verhaal heel mooi.
    Je schrijft zeer aansprekend, aangrijpend. Je wilt het hele verhaal lezen. Prachtig, trots op mijn nichtje. Groetjes. Miranda.

  • #10

    Anke (maandag, 04 mei 2020 16:27)

    Ontzettend dank je wel voor dit mooie compliment.

  • #11

    Marie-José (vrijdag, 03 juli 2020 17:03)

    Hallo Anke, ja ik heb je site gevonden en meteen dit verhaal gelezen. Heel mooi, beeldend en met gevoel geschreven. Yasemin moet zeker een vervolg krijgen!

  • #12

    Anke (vrijdag, 03 juli 2020 18:59)

    Dank je wel! Misschien verpak ik dit gedeelte nog weleens in een novelle of en roman. Er zit genoeg in denk ik.